EEN BLADZIJDE UIT HET BOS

Het dagboek van Mol

Ik heb vandaag op Beer gewacht met een vraag die niet groot klonk, maar wel precies moest vallen. ‘Wat neem jij mee voor een wandeling?’ vroeg ik. Hij zei eerst bekers, brood en een doek. Ik dacht even dat hij het daar bij zou laten, maar toen keek hij nog eens en zei: mijn jas. Dat was het goede antwoord, al wist ik niet meteen waarom ik daarop zat te hopen. Het mooie was niet alleen het woord. Het was de manier waarop Beer het zei. Alsof hij een tas van zijn schouder afzette die hij eigenlijk al te lang droeg. Daarna deed hij nog zo’n zware, denkbeeldige beweging dat ik moest glimlachen. Ik heb dat in mijn hoofd meteen naast het hout gelegd. Het theatertje kan ook iets lichter worden als iemand minder hoeft mee te nemen.