Over vasthouden en loslaten

Mol probeert een droom te bewaren

Mol wordt wakker met iets moois dat hij niet kwijt wil. Dus begint hij te bouwen.

EEN VERHAAL UIT WOUDLICHT · ± 12 MINUTEN VOORLEZEN
Mol met zijn bril, lange baard en werkschort bij zijn warme werkplaats.

Mol werd wakker met een droom in zijn hoofd.

Dat gebeurde wel vaker, maar meestal waren dromen al half verdwenen tegen de tijd dat hij zijn deken had opgevouwen en zijn bril had opgezet.

Deze keer niet.

Deze keer was de droom nog helemaal dichtbij.

Hij wist niet precies wat erin was gebeurd. Daar zat het probleem niet. Het probleem was dat hij het gevoel ervan nog kende, en dat gevoel was zo wonderlijk en mooi dat hij onmiddellijk begreep dat hij het niet kwijt wilde.

In de droom hadden lichtjes door de lucht gezwommen alsof ze vissen waren. Er was een trap geweest die rustig omhoogliep naar een plek die je niet kon zien. En ergens had muziek geklonken, al wist Mol zeker dat er geen instrumenten te zien waren geweest.

Hij bleef nog even stil in bed liggen om alles vast te houden.

Maar zodra hij opstond, voelde hij het al verschuiven.

Niet snel.

Niet dramatisch.

Gewoon zoals mist langzaam uit een weiland optrekt, terwijl je nog denkt dat hij er wel even zal blijven.

Mol trok haastig zijn jas aan en ging aan zijn werktafel zitten.

Eerst probeerde hij te tekenen.

Hij tekende de trap, de lichtjes en de donkere lucht eromheen. Daarna tekende hij nog een keer, omdat het de eerste keer niet had gevoeld zoals in de droom. En daarna nog een keer, omdat de tweede te netjes was geworden.

Toen hij klaar was, lagen er drie tekeningen op tafel.

Op alle drie stond ongeveer hetzelfde.

Toch had geen van de drie de droom bewaard.

Mol keek er een tijdlang naar.

Daarna draaide hij een schoon blad om en schreef:

Droom, vanmorgen vroeg.

Lichtgevende vissen in de lucht.
Trap naar onbekende plaats.

Muziek zonder instrumenten.

Gevoel: mooi, vreemd, bijna echt.

Hij las het terug.

Het klonk verstandig.

Misschien zelfs nauwkeurig.

Maar niet als een droom.

Mol legde zijn potlood neer.

Dit vroeg om iets anders.

Wanneer woorden en tekeningen niet voldoende waren, begon hij meestal te bouwen.

Tegen de middag stonden er op zijn werkbank twee glazen potjes, een oud wekkerwerk, drie koperen draadjes, een kleine trechter en een lampje dat zacht op en neer knipperde.

Het moest, dacht Mol, mogelijk zijn om een droom op te vangen op het moment dat die nog tussen slapen en wakker zijn in de lucht hing. Misschien zat een droom niet alleen in je hoofd. Misschien hing hij heel even boven je kussen, zoals adem op koude dagen.

Hoe je zoiets precies moest meten, wist Mol nog niet.

Maar dat had hem zelden tegengehouden.

Hij was juist lekker bezig toen Gaai binnenkwam.

Gaai hoefde nooit lang te kijken om enthousiast te worden. Dat was één van zijn opvallendste talenten.

“Wat wordt het?” vroeg hij.

“Een droombewaarapparaat,” zei Mol.

Gaai zweeg een ogenblik.

Niet uit twijfel, maar uit bewondering.

“Dat is misschien wel het mooiste woord dat ik vandaag heb gehoord.”

Mol schoof een potje iets naar links.

“Ik had een droom die ik niet kwijt wilde.”

Gaai kwam dichterbij en boog zich over de werkbank.

“Waar ging hij over?”

Mol vertelde het, voor zover hij het nog wist.

Toen hij uitgesproken was, keek Gaai met een blik alsof hij de droom zelf bijna voor zich zag.

“En nu wil je hem bewaren?”

Mol knikte.

“Zodat hij niet verdwijnt.”

Gaai dacht daar even over na.

Daarna zei hij: “Misschien moet het apparaat zacht zoemen.”

“Dat doet het al.”

“Dan is het een goed begin.”

Hij bleef de rest van de middag helpen. Al betekende helpen bij Gaai meestal dat hij onderdelen aangaf, vragen stelde en af en toe iets vasthield wat ook best zonder hem had gekund.

Toch vond Mol zijn aanwezigheid prettig.

Tegen de tijd dat het buiten begon te schemeren, stond het apparaat klaar.

Het bestond uit een houten plankje met daarop de twee glazen potjes, het wekkerwerk en een gebogen draadje dat eindigde boven een kussen dat Mol uit zijn bed had gehaald. Wanneer je aan het kleine messing knopje draaide, begon het geheel zacht te tikken en te zoemen.

Gaai keek er met grote ogen naar.

“En wat doet het precies?”

Mol keek naar het apparaat.

“Dat hoop ik zo te zien.”

Die avond legde hij het naast zijn bed.

Voor de zekerheid zette hij ook zijn notitieboek klaar, drie scherpe potloden en één extra lampje voor als hij plotseling in het donker een belangrijk inzicht kreeg.

Daarna ging hij slapen.

De volgende ochtend schrok hij vroeg wakker.

Meteen keek hij naar de potjes.

In het ene zat niets.

In het andere ook niet.

Het lampje brandde nog zwakjes. Het wekkerwerk had de hele nacht getikt. Op het kussen lag een losse veer die er waarschijnlijk al had gelegen.

Mol bleef overeind zitten.

Hij probeerde zich zijn droom van die nacht te herinneren.

Er was iets met een boot geweest, dacht hij. Of met soep.

Misschien ook een boom die sokken droeg.

Hij wist het niet meer.

Hij keek naar de potjes.

Ze bleven koppig leeg.

Mol zit bij zijn bed en kijkt naar de lege glazen potjes van zijn droombewaarapparaat.

Die ochtend paste Mol het apparaat aan.

Hij zette een extra trechter tussen het kussen en het grootste potje. Hij verving één draadje door een spiraal van dun koper. Rond de middag kwam Bever even kijken en vroeg rustig hoe Mol dacht vast te stellen of een droom eigenlijk in grote of kleine hoeveelheden voorkwam.

Mol zei dat hij daar nog mee bezig was.

Bever vond dat een eerlijk antwoord.

Bever denkt met Mol mee bij de werkbank vol koperen draadjes en glazen potjes.

Tegen de avond had Mol een tweede versie.

De nacht daarna ving hij opnieuw niets.

Of eigenlijk: hij ving wel iets, maar dat bleek zijn eigen adem te zijn, die het glas van één potje van binnen helemaal beslagen had. Dat zag er veelbelovend uit, tot de waas na een paar minuten weer verdween.

Op de derde dag begon de droom van eerder die week steeds verder weg te raken.

Mol wist nog dat hij mooi was geweest.

Hij wist nog dat hij hem had willen houden.

Maar de trap was minder helder dan eerst. De muziek was bijna helemaal verdwenen. Zelfs de lichtjes in de lucht waren niet meer precies lichtjes; ze waren meer een herinnering aan lichtjes geworden.

Dat vond hij treurig.

Niet heftig.

Niet op een manier waar je luid van wordt.

Gewoon stil.

Alsof hij iets verloren had dat hij nooit echt in zijn poten had gehad.

Die avond zette hij het apparaat uit.

Voor het eerst sinds dagen werkte zijn werkplaats niet zachtjes. Er tikte niets. Er zoemde niets. Alleen buiten klonk de wind tussen de bomen.

Mol ging met zijn jas nog aan voor zijn huis zitten.

Het werd langzaam donker in het bos. De lucht kleurde eerst goud, toen grijsblauw en daarna dat zachte uur waarin de dingen hun randen lijken kwijt te raken.

Hij dacht niet meer na over potjes of trechters.

Hij keek alleen.

Mol zit stil voor zijn werkplaats terwijl het gouden licht overgaat in de schemering.

Na een tijdje kwam Gaai voorbij.

Hij wilde iets zeggen, zag Mols gezicht en ging zonder veel woorden naast hem zitten. Dat kon hij soms ook, al vergat men dat weleens.

Samen keken ze naar de schemering.

Toen gebeurde er iets kleins.

Tussen de struiken, net boven het gras, ging een lichtje aan.

Niet fel.

Niet lang.

Gewoon even.

Daarna nog één.

En nog één iets verderop.

Vuurvliegjes.

Ze bewogen langzaam tussen de stammen door, alsof iemand in de verte kleine sterren voorzichtig had losgelaten.

Mol ging wat rechter zitten.

Gaai volgde zijn blik.

“Zijn die er anders ook?” vroeg hij zacht.

Mol knikte.

“Vast wel.”

Toch keken ze er allebei naar alsof ze nieuw waren.

Mol en Gaai zitten samen buiten. Vuurvliegjes lichten op tussen de bomen.

De lichtjes dreven op en neer door de avondlucht. Soms verdwenen ze achter een varen om een ogenblik later ergens anders weer op te lichten. Het bos leek groter dan overdag, maar ook vriendelijker, alsof het in het donker beter wist wat het met zichzelf aan moest.

Na een tijd zei Gaai: “Was je droom zo?”

Mol dacht na.

“Nee,” zei hij.

Dat was waar.

In zijn droom hadden de lichtjes hoger gezwommen. De trap ontbrak. De muziek ook.

En toch bleef hij kijken.

“Maar een beetje wel,” zei hij toen.

Gaai knikte, alsof dat een volmaakt logisch antwoord was.

Mol voelde hoe er iets rustiger werd in hem.

Niet omdat hij de droom had teruggekregen.

Die was nog steeds weg, of in ieder geval weg op de manier waarop dromen weggaan.

Maar het gevoel dat hij zo hard had geprobeerd vast te houden, zat ineens weer even vlakbij. Niet in een potje. Niet in een apparaat. Gewoon daar, tussen de lichtjes in de tuin en de avond die langzaam donkerder werd.

Toen de vuurvliegjes dieper het bos in trokken, stond Mol op.

Hij nam zijn droombewaarapparaat niet mee naar buiten. Hij haalde het zelfs niet eens meer uit elkaar, wat op zichzelf al bijzonder was. Hij liet het gewoon op de werkbank staan, met de lege potjes, de koperen draadjes en het lampje dat nu uit was.

Voor hij naar bed ging, schreef hij in zijn notitieboek:

Sommige dromen blijven niet omdat je ze bewaart.
Sommige dromen blijven omdat iets je er later weer aan herinnert.

Mol las de zin terug.

Hij vond hem goed genoeg.

Mol schrijft in zijn notitieboek, met het droombewaarapparaat stil op de achtergrond.

Daarna blies hij het lampje uit.

Buiten in het donker dreef nog één laatste vuurvliegje langs het raam.

Mol zit bij zijn bed. Buiten het raam zweeft nog één klein lichtje.

Mol glimlachte.

En deze keer probeerde hij niets vast te houden.

Blijf gerust nog even.Terug naar de verhalen