Het had drie dagen geregend.
Niet een beetje.
De regen had tegen de bladeren geslagen, over de paden gestroomd en de beek zo dik gemaakt dat Bever iedere paar uur ging kijken of zijn dam er nog stond.
Op de vierde ochtend werd het eindelijk stil.
Gaai vloog naar buiten.
Overal lagen takken.
Een stuk van het pad was verdwenen.
En bij de grote open plek lag de oude kastanjeboom op zijn zij.
Gaai landde ernaast.
Hij kende die boom al zolang hij zich herinneren kon.
Hij legde een vleugel tegen de natte stam.
“Nou,” zei hij zacht.
Meer wist hij even niet.
Later kwamen de anderen kijken.
Beer bleef lange tijd stil.
Bever bekeek de wortels.
“Die komt niet meer overeind,” zei hij.
“Nee,” zei Gaai.
Wasbeer zuchtte.
“Hier aten we altijd als het warm was.”
Gaai knikte.
Toen keek hij omhoog.
Op de plek waar vroeger de kruin van de kastanje had gestaan, was ineens een groot stuk lucht te zien.
Heel blauw.
“Gek,” zei Gaai.
“Wat?” vroeg Beer.
“Ik wist niet dat daar zoveel hemel zat.”
De anderen keken omhoog.
Bever als laatste.
“Die zat daar gisteren ook al,” zei hij.
“Waarschijnlijk,” zei Gaai.

Gaai pakte zijn schriftje en schreef:
Hier zat altijd al lucht.
We konden hem alleen niet zien.
Vos las mee.
“Dat is wel erg Gaai.”
“Dank je.”
“Dat was niet helemaal een compliment.”
“Dan neem ik het toch als compliment.”
Die middag kwam de zon.
Gaai zat alleen bij de omgevallen boom.
Hij miste hem.
Dat verbaasde hem eigenlijk een beetje.
Een boom zei niets.
Hij kwam niet op bezoek.
En toch kon blijkbaar ook iets wat altijd op dezelfde plek stond een lege plek achterlaten.
Toen zag Gaai iets tussen de natte bladeren.
Een klein groen puntje.
Hij boog zich voorover.
Daar stond een jong plantje.
Niet groter dan zijn teen.
Gaai pakte zijn schriftje.
En stopte het daarna weer weg.
Sommige dingen hoefden blijkbaar niet onmiddellijk een verhaal te worden.

De volgende ochtend kwam Gaai terug met een hamer.
En planken.
En touw.
En een tekening die niemand helemaal begreep.
“Wat ga je maken?” vroeg Bever.
“Een bankje, denk ik.”
“Denk je?”
“Of een tafel.”
“Dat zijn verschillende dingen.”
“Dat weet ik.”
Het werd uiteindelijk geen bankje.
Ook geen tafel.
Het werd iets ertussenin.
Volgens Bever was dat bouwkundig gezien onnodig ingewikkeld.
Volgens Wasbeer zat het uitstekend.
En dus zat het uitstekend.
Die avond aten ze daar.
Niet meer onder de oude kastanje.
Maar naast hem.
Boven hen werd de lucht langzaam goud.
Gaai keek naar het jonge groen.
Toen naar de lege plek boven hen.
Hij wist best dat niet alles wat verdween vervangen werd.
Sommige dingen kwamen gewoon niet terug.
Maar dat betekende blijkbaar niet dat er daarna niets meer kwam.
Er was nog lucht.
Er was nog licht.
Er was nog iets kleins dat begon.
Gaai glimlachte.
“En op morgen,” zei hij.