Over ruimte laten

Beer hield een plek vrij

Iedere avond dekt Beer de tafel. Een bord, een beker, een stoel. En altijd één plek extra.

EEN VERHAAL UIT WOUDLICHT · ± 6 MINUTEN VOORLEZEN
Beer dekt een houten tafel onder een beuk en houdt een plek vrij.

Iedere avond, als het licht tussen de bomen zachter werd, zette Beer de tafel klaar.

Het was een lange houten tafel onder een oude beuk, met banken aan weerszijden en mos tot bijna aan de poten.

Beer deed dat graag zorgvuldig.

Borden recht.

Bekers naast de kommen.

Brood in het midden.

En altijd één plek extra.

Eén bord.

Eén beker.

Eén lege stoel.

Beer bij de gedekte tafel onder de beuk. Eén stoel blijft uitnodigend vrij.

Dat viel de anderen natuurlijk op.

Wasbeer keek er op een avond al kauwend naar en vroeg:

“Voor wie is die plek?”

Beer legde het laatste stuk brood op de plank.

“Voor het geval er iemand komt.”

Wasbeer knipperde even.

“Maar je weet toch niet of er iemand komt?”

Beer schudde rustig zijn hoofd.

“Nee.”


Vos vond het een merkwaardig antwoord.

“Wacht je dan op iemand in het bijzonder?”

Beer dacht even na.

Dat was het vreemde.

Hij wist het niet precies.

Niet op een dier dat hij kon aanwijzen.

Niet op iemand van wie hij zeker wist dat die zou komen.

“Niet echt,” zei hij.

“Ik wil alleen niet dat er geen plek is, als er wel iemand komt.”


Bever vond het niet erg logisch.

“Een lege stoel is nog tot daaraan toe,” zei hij, “maar een bord dat niet gebruikt wordt, moet je ook weer afwassen.”

“Dat valt mee,” zei Beer.

Gaai zei niets.

Hij keek alleen even naar de lege plek.

Alsof hij iets herkende, maar nog niet wist hoe hij het moest zeggen.


Zo ging het avonden achter elkaar.

De dieren kwamen eten.

Ze praatten over kleine dingen en grote.

Over regen.

Over paden.

Over wie iets had gevonden en wie iets kwijt was geraakt.

En telkens stond daar die ene lege stoel tussen hen in.

Soms viel hij bijna niet op.

En soms juist wel.


Op een avond liep Noor langs de tafel.

Ze zei eerst niets.

Ze keek alleen even naar het bord dat nog schoon was en naar de stoel waar niemand op zat.

Toen bukte ze zich, raapte een klein beukenblaadje van de grond en legde het naast de lege beker.

Daarna liep ze weer verder.

Beer glimlachte even.

Niemand vroeg waarom.


Langzaam werd de lege plek onderdeel van de tafel.

Wasbeer schoof er niet zomaar zijn ellebogen op.

Bever legde er geen stapels servetten neer.

Vos zette er niet gedachteloos zijn boek tegenaan.

Ze lieten de stoel vrij.

Niet omdat ze wisten voor wie.

Maar omdat hij vrij moest kunnen blijven.


Op een avond begon het flink te regenen.

Druppels tikten op de bladeren.

Wind streek door het bos.

De dieren schoven dichter naar elkaar toe onder het bladerdak boven de tafel.

Beer schonk warme thee in.

Toen hoorden ze voetstappen in het natte gras.

Klein.

Aarzelend.


Aan de rand van het licht stond een jonge egel.

Zijn stekels waren donker van de regen en tussen zijn pootjes hing modder.

Hij bleef staan alsof hij niet goed wist of hij verder mocht.

Beer zei niets.

Hij pakte alleen de lege stoel vast en schoof die een klein stukje naar achteren.

De egel keek naar de tafel.

Toen naar Beer.

En kwam dichterbij.


Niemand maakte er iets groots van.

Beer zette de beker recht.

Wasbeer schoof de broodplank wat opzij om ruimte te maken.

Gaai glimlachte.

Vos knikte alsof dit eigenlijk heel vanzelfsprekend was.

De egel ging zitten.

Beer schepte soep in zijn kom.

En even later zat hij gewoon met hen mee te eten, alsof die plek al die tijd precies op hem had gewacht.


Toen de regen zachter werd en de egel alweer een kleur minder verlegen keek, leunde Wasbeer naar Beer toe.

“Was dit degene op wie je wachtte?”

Beer keek naar de stoel.

Toen naar de egel.

Daarna naar de lege bomen achter hem, waar nog steeds regen uit viel.

“Nee,” zei hij.

“Niet degene.”

“Maar wel iemand?”

Beer knikte.

“Ja,” zei hij.

“Wel iemand.”


Later die avond ging iedereen naar huis.

De egel ook.

Onder de bomen bleef de tafel nog even staan in de geur van nat hout en soep.

Beer ruimde de borden af.

De bekers.

De plank.

En daarna zette hij, voor de volgende avond, opnieuw alles klaar.

Borden recht.

Bekers naast de kommen.

Brood in het midden.

En één plek extra.

Omdat sommige lege plekken niet alleen gaan over wie er ontbreekt.

Maar ook over wie nog mag komen.

Blijf gerust nog even.Terug naar de verhalen